
Auteursarchief: micheldebruyne
HUBERTUS GELADI
Haube Geloes werd waarschijnlijk ergens rond 1670 geboren in Hongarije. Volgens verscheidene bronnen is zijn geboorteplaats ‘Changoe Tari’. Deze plaatsnaam is echter nergens terug te vinden, wel leeft er in de Oost-Karpaten een volksstam, de ‘Csango’s‘.
Hij komt op het einde van de zeventiende eeuw naar België en vestigt zich in Hasselt. Daar ontmoet hij Elisabeth Ballet. Ondertussen heeft hij zijn voornaam al vervlaamst: Hubertus. Op 15 januari 1713 huwen ze in de Sint-Quintinuskerk te Hasselt.
De eerste kinderen uit dit huwelijk (Joannes en Gisbertus) worden nog in Hasselt geboren. Catharina (die na één jaar sterft), Hubertus, Catharine en Maria-Christina worden in Alken, waar zij ondertussen wonen, geboren.
Hubertus heeft ondertussen ook zijn familienaam aangepast: hij gaat voortaan door het leven als Gelade. Dit is het begin van een uitgebreide familieboom met verschillende namen; Gelade, Geladi, Gelady, Glady, Glaude,…)
Hij verdient de kost als smid, houtbewerker en molenmaker.
Hij overlijdt in Alken op 31 mei 1731 en is dan waarschijnlijk 61 jaar oud. Op de overlijdensakte staat: morte instanea, wat we nu zouden omschrijven als ‘schielijk’
BALLET ELISABETH
Op 29 juli 1688 wordt in Alken Elisabeth Ballet geboren. Zij is het vierde kind en eerste meisje van Thomas Ballet en Maria Catharina Van Russelt.
Het gezin Ballet zal op het einde van de achttiende eeuw negen kinderen hebben, waaronder één tweeling (de meisjes Gertrudis en Maria).
Op haar 24 jaar huwt zij in Hasselt in de Sint-Quintinusparochie met Hubertus Gelady (die in de huwelijksakte Geloes wordt genoemd). Zij krijgen zes kinderen: Joannes, Gisbertus, Catharina (die sterft na anderhalf jaar), Hubertus, Catharina en Maria Christina. De twee eerste zonen worden in Hasselt geboren, bij de geboorte van de kleine Catharina woont het gezin in Alken.
Hubertus sterft echter in 1731 op 51-jarige leeftijd en Elisabeth trouwt iets later in Alken met Guilielmus Neuteleers. Zij krijgen nog een dochter: Elisabeth Neuteleers.
Op 61-jarige leeftijd sterft Elisabeth in Alken op 5 juni 1750.
Merkwaardig is dat in de overlijdensakte haar naam als ‘Balett’ wordt geschreven.
JOANNES HENRICUS LEMMENS
Op vrijdag 10 december 1847 wordt Joannes Henricus (Johan) Lemmens geboren in ‘Herck-la-Ville’. Hij is de zoon van Henri Lemmens en Marie Luijckx.

Hij heeft geen gemakkelijke jeugd. Zijn moeder sterft net na zijn vierde verjaardag en zijn vader overlijdt als hij 19 jaar is. Hij moet dan ook toestemming vragen aan een familieraad om te mogen huwen met Louisa Timmermans, een dienstmeid in Herk-de-Stad. Hij krijgt de toestemming en op donderdag 8 oktober 1868 huwen ze voor de wet.
Ze gaan in de wijk Oppum wonen. Later verhuizen ze naar Rummen, waar ze al een winkel, annex herberg hadden. In de herberg werden regelmatig openbare verkopen gehouden.


Het koppel krijgt drie dochters: Anna Maria Francisca, Philomena Carolina Francisca en Maria Aldegonde (Alda).
Hij sterft op dinsdag 2 september 1913 in Rummen
MARIE LOUISE PHILIPPINE TIMMERMANS
Op zondag 1 juni 1845 rond elf uur ’s avonds is Marie Louise Philippine Timmermans geboren in Bree. Vanaf de eerste dag wordt zij door iedereen Louisa genoemd. Zij is de tweede dochter van Andries Timmermans en Anna Maria Hornix. Er zullen nog vier meisjes na haar volgen.
Haar vader doet aangifte van de geboorte in handen van burgemeester De Borman van Bree. De familie De Borman was een zeer vooraanstaande familie in Bree, zij hadden een kasteel op de Gruitroderkiezel.
In 1861 gaat ze als dienstmeid werken in Schakkebroek. Op 7 oktober 1861 (ze is dan amper 16 jaar!) bevalt ze van een zoontje, Louis. Het jongetje leeft amper twee maand en twintig dagen en overlijdt op 27 december 1861. Dit is natuurlijk stof voor speculaties. Hebben we hier te maken met een familieversie van Upstairs-Downstairs? Had haar werkgever losse handjes? Was ze misschien al zwanger in Bree en moest ze daarom naar Schakkebroek? Waaraan sterft kleine Louis na bijna drie maanden? Was zijn dood toeval of….? De geschiedenis heeft dit geheim nog niet prijs gegeven. Wie weet…
Zij leert daar de drie jaar jongere Johan Lemmens kennen. Ze huwen op 8 oktober 1868. Johan moet daarvoor, als minderjarige wees, wel de toelating krijgen van de familieraad.
Bij de opsomming van de getuigen in de huwelijksakte, staat de volgende zin : “welke verklaard heeft de kontraktanten niet te bestaen”. ‘Bestaan’ heeft hier de betekenis van ‘(bloed)verwant zijn’, zoals in ‘nabestaande’
Ze openen een herberg in de wijk Oppum te Herk-de-Stad.
Zij krijgen drie dochters: Anna Maria Francisca, Philomena Carolina Francisca en Maria Aldegonde (Alda).
In 1898 gaan ze in Rummen wonen, waar ze een winkel openen.
Op 12 december 1921 overlijdt ze in Rummen.
MARIA ROSALIA THOELEN

Op 26 maart 1858 wordt Maria Rosalia Thoelen geboren om negen uur ’s avonds in Schulen. Zij is het eerste kind van Jan Thoelen en Maria Weyens. Jan is op dat ogenblik nog gedomicilieerd in Alken, zijn geboorteplaats, maar zal dra verhuizen naar Schulen.

Maria Rosalia, die door het leven zal gaan als Rosalia of Rooske, krijgt nog twee broertjes, Felix Henricus en Joannes Alphonsus. De laatste zal echter na drie maand overlijden. Dit is niet het laatste verdriet dat haar in haar jeugd zal treffen. Op haar zevende sterft haar vader Jan. Het gezin is dan terug in Alken gaan wonen bij de familie Thoelen. Moeder Maria huwt een paar jaar later de broer van Jan, Michael. Zij krijgen nog twee kinderen: Fredericus en Maria Philomena. Het meisje zal echter na 20 dagen ook overlijden.
Ondertussen groeit Rosalia op in Alken en op haar zesentwintig huwt zij Gustavus De Bruyn. Zij gaan in de Braggen in Halen wonen. Zij krijgen 9 kinderen, 4 jongens (Henricus, Ludovicus, Josephus en Florentius) en 5 meisjes (alle vijf heten ze Maria). Bij de meisjes is er een tweeling (Maria Victoria en Maria Virginia)die echter allebei binnen het jaar overlijden. Ook het laatste meisje (Maria Leopoldina), een nakomelingetje, overlijdt binnen het jaar. Alleen Maria Lucia en Maria Melania blijven langer in leven.
Hieronder hun huwelijksakte.


In de familie kent iedereen haar als Moeke Roos.
HALEN – GESCHIEDENIS
De eerste vermelding van Halen – van het Germaanse halhum d.i. ‘bocht in of van hoogland’ – vinden we terug in een oorkonde van 8 april 741 waarin graaf Robert van Hasbania de ‘villa Halon’ samen met andere goederen aan de abdij van St.-Truiden schenkt. De abdij maakte van Halen de hoofdplaats van een grote domeingroep, waarvan de latere gemeenten Halen, Loksbergen,Linkhout, Schulen, Berbroek en Donk deel uitmaakten.
Na een geschil over de abdij van St.-Truiden tussen de graaf van Loon en de hertog van Brabant, palmde deze laatste Halen in en schonk het in 1206 stadsrechten en –vrijheden.
Halen zou Brabants grondgebied blijven tot aan de Franse Revolutie. Het patronaat en de tienden van de Sint-Pieter-in-de-Banden-parochie bleven tijdens deze periode in handen van het St.-Lambertuskapittel van Luik.
Bij de inrichting van de nieuwe departementen in 1794 werd Halen bij het departement van de Nedermaas (de latere provincie Limburg) gevoegd als compensatie voor Rummen dat aan het Dijledepartement (de latere provincie Brabant) werd toegewezen.
Halen groeide in de 14de eeuw uit tot een ommuurd stadje met een eigen munt, gelegen aan de toen nog bevaarbare Gete, en was de hoofdplaats van een meierij die 19 gemeenten omvatte. Het dagelijks bestuur van de stad was in handen van twee burgemeesters, een rentmeester en een secretaris. Samen met de meier – de vertegenwoordiger van de hertog die tevens het toezicht over de meierij Halen uitoefende – de zeven schepenen en de vijf raadslieden, vormden zij de magistraat van Halen.
Het grensstadje had echter veel te lijden van belegeringen en militaire inkwartieringen. De zware lasten en verwoestingen die deze met zich meebrachten, samen met enkele pestepidemies en de bevoordeling door de hertogen van Brabant van het bijgelegen Diest, zorgden ervoor dat de hier in de 13de tot de 15de eeuw bloeiende lakenhandel geheel verviel. Vanaf het einde van de 16de eeuw was Halen nog slechts een verarmd garnizoensstadje met een beperkte verzorgende functie voor de omringende gehuchten.
De ingebruikneming van de steenweg Hasselt-Diest in 1839, van de spoorweg Diest-Tienen in 1878 en van de tramlijn Halen-Hasselt in 1905 gaf het dorp betere verbindingen met de omliggende steden. Op het einde van de 19de eeuw en in de eerste helft van de 20ste eeuw beleefde Halen een nieuwe opbloei, met vooral kleine familiale bedrijfjes en zelfstandige beroepen. De plaatselijke brouwerijen en de talrijke cafés zorgden voor een druk sociaal en cultureel leven. Sedertdien is Halen uitgegroeid tot een gemeente waar veel pendelaars wonen die in de industriële bedrijven van de omgeving tewerkgesteld zijn. Buiten de woongebieden aan de rand van de Staatsbaan Hasselt-Diest heeft de gemeente zijn landelijk uitzicht gehouden.
Op 19 juli 1985 werd bij wet de titel stad opnieuw toegekend aan de gemeente Halen.
Halen is vooral bekend voor de ‘Slag der Zilveren Helmen’ van 12 augustus 1914, het laatste grote gevecht tussen cavaleriedivisies in West-Europa, tevens de enige Belgische overwinning (zonder hulp van de geallieerden) die tijdens W.O.I werd behaald op het Duitse leger. Dit wapenfeit wordt nog ieder jaar plechtig en met militair eerbetoon herdacht.
Bron: webstek stad Halen
RUMMEN – GESCHIEDENIS
De deelgemeente Rummen is de oudste gemeente, telt de grootste oppervlakte en is rijk aan geschiedenis. De oudste archeologische vondst te Rummen dateert uit het midden of laat neolithicum, hetgeen betekent dat dit gepolijst vuistbijl tussen de 4.000 en 6.000 jaar oud is.
Toen Ermengarde, de gravin van Loon, in 1078 het grondgebied van Rummen aan de kerk van Saint-Barthelémy te Luik schonk, was dat meteen de eerste keer dat de naam Rummen in een geschreven document opdook. De graven van Loon zullen overigens in de Rummense geschiedenis nog meer opduiken. De naam Rummen betekent ‘ruim, uitgestrekte gronden’. Men wil de naam Rummen wel eens aan Rome en de Romeinen linken, maar van een Romeinse aanwezigheid zijn tot op heden geen tastbare bewijzen gevonden.
Zo was het bijvoorbeeld graaf Arnold VII van Loon die in 1233 het Oriëntenklooster te Rummen stichtte. Dit cisterciënzerinnenklooster aan de oever van de Melsterbeek, werd al vlug met meerdere schenkingen begiftigd waardoor het al snel een vrij belangrijk klooster werd, niet zozeer wat het aantal zusters (maximaal 20) betrof, als wel wat de goederen betrof. In Rummen bijvoorbeeld behoorden grote boerderijen als Terlenen (1240, bleef tot de Franse revolutie in het bezit van Oriënten, later een brouwerij en stokerij), Terborg (1240) en Tervreundt/Segeraet (1302, werd al vroeg een allodiaal goed) tot het patrimonium van het klooster. Toen het klooster in de 16de eeuw tijdens de godsdienstoorlogen geplunderd werd, weken de zusters tijdelijk naar Sint-Truiden uit. Arnold van Rummen, de laatste graaf van Loon (zie hierna) werd in het klooster begraven. De Franse overheersers sloegen de kerkelijke goederen aan en Oriënten werd in twee loten verkocht. In 1816 werden de meeste kloostergebouwen afgebroken behalve het huidige woonhuis (destijds een van de dienstgebouwen). In het begin van de 20ste eeuw huisvestten de gebouwen een jeneverstokerij.
Arnold van Rummen was de laatste onafhankelijke graaf van Loon. Toen in 1336 graaf Lodewijk IV van Loon kinderloos stierf, begon een successieoorlog die 30 jaar zou duren waarbij grote buur Luik zijn uiterste best deed om het graafschap Loon in te palmen. Arnold van Rummen was een van de troonpretendenten. Arnold van Rummen was o.a. drossaard van Brabant en hoopte daarom op steun van de hertog van Brabant en de graaf van Vlaanderen (via zijn echtgenote, een dochter van Lodewijk van Nevers). Arnold kreeg in zijn strijd het gelijk aan zijn kant van het keizerlijk hof, maar de prinsbisschop van Luik legde zich daarbij niet neer. Het fortuin van Arnolds vrouw maakte het hem mogelijk te Rummen een prachtig slot te bouwen. De bouw ervan nam 9 jaar in beslag. Op 9/8/1365 sloegen de Luikse milities hun tenten op voor de muren van Arnolds burcht. De verdedigers maakten gebruik van kleine donderbussen (kanonnen). De belegering zou uiteindelijk 9 weken duren en uitmonden in de inname van de burcht te Rummen. De burcht werd volledig vernield en mocht niet heropgebouwd worden; Arnold van Rummen zag – mits een forse vergoeding – af van het graafschap Loon dat opgeslorpt werd door het prinsbisdom Luik. Het Warandebos is de laatste getuige van deze verdwenen grootheid.
Behalve het daarstraks genoemde Oriëntenklooster, had ook de abdij van Averbode een aardig stukje in de Rummense pap te brokken. Deze abdij had het begevingsrecht (recht om de pastoor aan te duiden) en liet o.a. de pastorij bouwen (1630). De prachtige vijver (1643) herinnert aan het strenge visdieet van de Norbertijnen. Dit geklasseerd gebouw (1960) werd in de 18de eeuw gedeeltelijk herbouwd. Tijdens de eerste wereldoorlog werd de pastorij door de Duitsers geplunderd (o.a. koperen klinken) en ze bood zelfs een tijdje onderdak aan de rijkswacht van Rummen.
Was het Rummense grondgebied destijds voornamelijk in handen van de kloosters, de kerk en een paar heren, dan blijkt uit een studie dat in 1860 nog steeds meer dan 60% van het grondgebied in handen was van eigenaars buiten de gemeente.
Twintig jaar na de pastorij werd het schutterslokaal (1650) van de Sint-Sebastiaansgilde gebouwd. Het is thans een van de oudste gebouwen van Rummen (hoek dorpsplein en Kapelstraat). Tegenover het schutterslokaal bevond zich eertijds de Munt. Rummen had inderdaad een muntatelier waar tijdens de periode 1350-1474 eigen munten geslagen werden.
Uit het midden van de 14de eeuw dateert ook de jaarmarkt. Het was een vrije markt waar men waren kon kopen en verkopen zonder cijns te betalen. Buiten de wet gestelde misdadigers mochten er vrij rond lopen zonder aangehouden te worden. Deze nog steeds bestaande jaarmarkt (laatste week van augustus) houdt mogelijk verband met de bijnamen van de Rummenaren (boeren) en de Betsenaren (heren).
In de 15de en 16de eeuw waren de families de Merode en Hamal heren van Rummen.
Op de weg naar Geetbets liggen de geklasseerde (1994) restanten van de kasteelhoeve en één toren van het verdwenen kasteel, gebouwd door de familie Horion. Het kasteel ging nadien over in de handen van de familie Hoen, om uiteindelijk naar de oorspronkelijke bezitters terug te keren. Dit kasteel werd omschreven als een van de mooiste en indrukwekkendste van het prinsbisdom Luik. Het had zwaar te lijden van de Franse bezetter en kwam nadien o.a. in handen van de Tiense familie Vandenbosch. Het kasteel werd in de 16de eeuw gebouwd, het boerderijgedeelte dateert uit 1626-1629. Omstreeks de periode van de bouw van het kasteel, werd Rummen getroffen door een pestepidemie (1576) die op korte tijd de Rummense bevolking flink deed slinken.
De 17de eeuw kenmerkte zich door een opeenvolging van vreemde troepenbezettingen: 1622 en 1626 Duitse huurlingen in dienst van Spanje, 1632 Spanjaarden, 1636 Duitse ruiterij, 1654 de hertog van Lotharingen, 1675 de Hollanders die meer dan de helft van de 82 Rummense huizen vernielden.
In 1741 werd Rummen door een grote brand getroffen. Het vuur was ontstaan in de schouw van ‘De Croon’ een brouwerij tegenover de oude kerk (Kapelstraat), die samen met een aantal huizen (9) in de vlammen opging. In 1760 bouwde men in de Ketelstraat een nieuwe classicistische kerk, die in 1924 vergroot werd met een dwarsbeuk, koor, zijkoren en sacristie. De oude waardevolle doopvont (12de – 13de eeuw) van de oorspronkelijke kerk kwam via het Oriëntenklooster en een aantal tussenstations uiteindelijk in de Sint-Germanuskerk te Tienen terecht.
Op het einde van de 18de eeuw (1798) zullen Rummen en Geetbets mede het strijdtoneel vormen van de Boerenkrijg.
Rummen lag langs de tramlijn Sint-Truiden – Herk-de-Stad die in 1913 geopend werd, te lijden had van de eerste wereldoorlog, nadien hersteld werd en tenslotte in 1948 opgedoekt. Het station bevond zich in de Persoonstraat.
Rummen maakte via een groep van 40 Uhlanen op 6 augustus 1914, om 11 uur ’s morgens kennis met de eerste wereldoorlog. De Duitsers stelden in de daarop volgende dagen op de hoogte van Bergeneinde hun kanonnen op. Tijdens de eerste inval werd de klepel van de kerkklok afgerukt en de hamer van het uurwerk verwrongen. 70 Rummenaren trokken naar de oorlog. Drie ervan sneuvelden aan het front en een overleed in Frankrijk aan een longaandoening. Elf werklieden werden naar Duitsland weggevoerd, waarvan één aldaar overleed.
Mede dankzij dokter Ballet ontsnapte Rummen tijdens de tweede wereldoorlog aan het ergste. Dokter Ballet was gouwleider was gouwleider van het VNV Limburg (tot 1942 toen hij ontslag nam). Op 28/8/1942 stortte een tweemotorige bommenwerper te Rummen neer. De zeskoppige Poolse bemanning overleefde de crash. Op 30/6/1944 werd Rummen opgeschrikt door de moord op Camille Van Craeyevelt, waarbij de daders meenden te handelen uit verzetsmotieven. Op 6 september 1944 werd Rummen door de Amerikanen bevrijd. Economisch werd Rummen na de tweede wereldoorlog bekend als een ‘glazen dorp’ waar de serres als paddestoelen uit de grond rezen en voor enige welstand zorgden. De hoge brandstofprijzen zouden later deze welvaart kelderen. Op 1/1/1971 fuseerde Rummen met Grazen en op 1/1/1977 werden beide gemeenten bij Geetbets gevoegd.
Tekst door: Guy Leus geschiedkundige kring Limes Gatia.
Bron: webstek Geetbets
MARIA ALDEGONDA LEMMENS
Op 28 november 1873 om 13.00 uur wordt Maria Aldegonda Lemmens geboren te Herk-de-Stad. Het geboortehuis stond in de wijk Oppum. Haar vader Joannes Lemmens doet de aangifte van de geboorte, samen met twee getuigen: Joannes Lemmens en Petrus Swysen. Ze kreeg de roepnaam Alda.
Geboorteakte
Op 25 augustus 1898 huwt ze in Rummen met Désiré Bielen. Zij brengt Jozef Motmans, een barbier, en Jacobus Guffens, een dagloner, beide uit Rummen, mee als getuige.

Ze krijgen drie dochters: Maria Philomena Ludovica, Henrica Paulina en Elvira Augusta Dijmphna
Het gezin woont een korte tijd in het begin van de Jodenstraat en vestigt zich dan in het huis op de Grootesteenweg te Rummen. Deze woning is gebouwd door Henri Lemmens, haar grootvader. Een familielid van haar grootmoeder brengt de muurschilderingen aan. Hier openen ze een herberg, annex winkel aan de tramhalte. Het is de afspraakplaats van forenzen die van hier naar het station van Schulen fietsen. Het was ook een cinema avant-la-lettre. De luiken van de herberg werden gesloten, er werd een wit laken aan de muur gehangen en de eerste (stomme) films werden er vertoond. Zij werden meegebracht door Fernand Jusseret uit Luik. De hele buurt kwam kijken!
Ze overlijdt op 5 januari 1942 te Rummen op 68-jarige leeftijd en wordt er drie dagen later op 8 januari begraven.

BIELEN FREDERICUS DESIDERIUS
Fredericus Desiderius Bielen wordt geboren op zondag 23 februari 1873 om 11.00 uur. Hij is de derde zoon van Joannes Martinus Bielen en Paulina Vandersmissen. Het gezin woont dan op de ‘winning van Kattezwans’ in Herk-de-Stad. Zijn vader gaat de geboorte aangeven op het gemeentehuis van Herk-de-Stad. Getuigen zijn Joannes Desiderius Weyens, gemeenteontvanger en Petrus Vanratten, landmeter, beide uit Herk-de-Stad.
Geboorteakte
Op 25 augustus 1898 huwt hij op 25-jarige leeftijd in Rummen met Maria Aldegonda Lemmens uit Oppum in Herk-de-Stad. Hij brengt twee cafébazen uit Rummen mee als getuigen: Ferdinand Clabots, 47 jaar, Emiel Raes, 45 jaar.

Huwelijksakte
Ze krijgen drie dochters: Maria Philomena Ludovica, Henrica Paulina en Elvira Augusta Dijmphna
Hij is een diep-christelijk, brave man die bij iedereen zeer geliefd was, dixit zijn jongste dochter Elvier.
Hij was een verwoed pijproker. Zekere dag is hij echter zijn pijp kwijt. Hij roept zijn kinderen bij zich en leest ze de les dat ze zijn pijp niet mogen verstoppen. Ze moesten met vereende krachten op zoek naar de pijp, die uiteindelijk gevonden werd… in zijn mond!
Het gezin woont een korte tijd in het begin van de Jodenstraat en vestigt zich dan in het huis op de Grootesteenweg te Rummen. Deze woning is gebouwd door Henri Lemmens, zijn schoonvader. Een familielid van zijn schoonmoeder brengt de muurschilderingen aan. Hier openen ze een herberg, annex winkel aan de tramhalte. Het is de afspraakplaats van forenzen die van hier naar het station van Schulen fietsen. Het was ook een cinema avant-la-lettre. De luiken van de herberg werden gesloten, er werd een wit laken aan de muur gehangen en de eerste (stomme) films werden er vertoond. Zij werden meegebracht door Fernand Jusseret uit Luik. De hele buurt kwam kijken!
Hij overlijdt op 6 maart 1955 te Schakkebroek bij zijn dochter Pauline na een slepende ziekte op 82-jarige leeftijd. Hij is daar ook begraven.

Bidprentje van Desiré Bielen







